Het begin van de 16de eeuw Traditie en vernieuwing

In 1507 wordt Margaretha van Oostenrijk landvoogdes van de Nederlanden en vestigt zij zich in Mechelen. Pierre Coustain en Aert van den Bossche ruilen Brussel in voor Brugge, terwijl anderen, in het spoor van Rogiers kleinzoon Goossen van der Weyden, hun werkterrein verleggen naar Antwerpen, aangetrokken door de buitengewone economische bloei van deze stad.

In Brussel bevindt de schilderkunst zich in een overgangsfase: terwijl zij de traditie voortzet die zij van de grote 15de-eeuwse meesters had geërfd, opent zij zich geleidelijk aan voor een beeldtaal en ontwikkelingen afkomstig uit Italië.

Bernard van Orley is een schitterend voorbeeld van deze evolutie. Met Van der Weyden en Van der Goes als voorbeelden, blijft hij de narratieve decompositie aanhangen en de decoratieve elementen met zin voor detail weergeven. Terzelfdertijd is hij vernieuwend vanuit diverse oogpunten: hij dwingt zijn figuren in een kleiner kader waardoor de uitdrukkingskracht vergroot, hij heeft aandacht voor de atletische bouw van de anatomie en er is een toegenomen streven naar het weergeven van beweging. De kunstenaar integreert eveneens motieven geïnspireerd op Italiaanse meesters als Rafaël, Perugino en Leonardo da Vinci, van wie beroemde composities in Brussel gereproduceerd werden in wandtapijten.